Nalbinding - Begin vanuit het midden

 

 

Hier wordt getoond, hoe het begin van een spiraal ontstaat vanuit het midden.

Met een eenvoudige steek wordt een korte ketting van lussen gevormd tot een kleine cirkel,

waaraan dan door steken bij te maken in spiraalvorm verder gewerkt wordt.


We hebben nu een
rond begin.

 

Als het begin vanuit het midden met de kettinglussen

niet tot een cirkel wordt gevormd,

maar om de kettinglussen heen wordt gewerkt,

krijgen we een ovaal ovaal begin.

 

 


[Startpagina]
[De naald [Het begin] [De spiraal] [De verbinding van de draad]
[Soorten steken]
[Eigen werk] [Werk van anderen] [Links]
1. Rond begin

Foto 1

kurze Schlingenkette aus 4 Maschen

Aan het begin wordt uit 6 lussen een ketting gevormd... ....

Foto 2

Ring schliessen

...die vervolgens tot een cirkel wordt gesloten.

Foto 3

2.Schlinge in die Vorreihenmasche

In de beginsteek van de voorste rij worden altijd 3 lussen gemaakt. Daarna wordt aan de spiraal begonnen, waar we dan de de cirkel opnaaien. We verwerken elke keer drie lussen in elke steek op de voorste rij en dat wordt vier keer herhaald. Op de foto hiernaast kan je zien, hoe de tweede lus in de beginsteek gemaakt wordt..

De toename in de verdere rijen richt zich erop, hoe spits of minder spits het werkstuk moet worden. Hier kan men zich het beste richten naar een voorbeeld..

 

Voorbeeld voor een begin vanuit het midden, waar zoveel slagen bijgemaakt worden

dat er een platte schijf ontstond.


 

 

2. Ovaal begin

Foto 4

2 ovale Sohlen

Willen we een lang ovaal begin maken, dan naaien we op de voor en achterkant de lussenketting op. Aan het eind maken we elke keer 6 steken erbij. (Voor iedere hoek van de denkbeeldige rechthoek 3 steken)

 

Ich empfehle, dort wo es möglich ist, Schlingen nur in jeder 2. Masche der Vorreihe zu- oder abzunehmen. Also will ich z.B. 3 Schlingen zunehmen, benötige ich dafür 5 Maschen aus der Vorreihe. In die 1. Masche werden 2 Schlingen gearbeitet, in die 2. Masche 1 Schlinge, in die 3. Masche wieder 2 Schlingen, in die 4. Masche 1 Schlinge und in die 5. Schlinge wieder 2 Schlingen.
(Formel:
Anzahl der Zunahmeschlingen x 2 - 1 = Anzahl der benötigten Maschen aus der Vorreihe)

Umgekehrt gilt für das Abnehmen: Will ich z.B. 3 Schlingen abnehmen, benötige ich dafür 8 Maschen aus der Vorreihe.
In die 1. und 2. Masche der Vorreihe 1 Schlinge, in die 3. Masche eine, in die 4. und 5. Masche eine, in die 6. Masche eine und in die 7. und 8. Masche eine.
(Formel:
Anzahl der Abnahmeschlingen x 3 -1 = Anzahl der benötigten Maschen aus der Vorreihe

Im gesamten Maschengefüge sind dann die Stellen, an denen zu- bzw. abgenommen wurde, weniger auftällig.

Foto 5

Anfang

Detailaanzicht van een ovaal begin.


Materiaal: zelfgesponnen en getwijnde heidschnuckenwol.

 

Steek: (U)U(U)OO/UUOO
 
(de tussen haakjes staande U zijn de steken van de voorrij)

Bij de duimenvangtechniek wordt hierbij in de 2 achterste

duimlussen van voor naar achter gestoken
.

Foto 6

Stich (U)U(U)OO/UUOO

Detailaanzicht van steek (U)U(U)OO/UUOO
 


[Startpagina] [De naald [Het begin] [De spiraal] [De verbinding van de draad]
[Soorten steken] [Eigen werk] [Werk van anderen] [Links]

* Naar begin van deze pagina *